ImenEs

 

“Dus hij is kok?” ik vraag het voor de zekerheid nog een keer na aan Narell als zij aanwijst wie Imre is. Het is 11 jaar geleden en we staan onder aan een skipiste in Saalbach. Er komen 2 magere figuren naar beneden. De eerste skiet als een leraar en de tweede wijdbeens en hard als een kamikazie… Ze hebben een camelpack op hun rug en gebruiken geen skistokken

Ja, zegt ze, die linker! Ik verbaas me nog een keer over het postuur van een jochie waarachter een bevlogen kok moet schuilgaan.

Een paar vrolijke bruine ogen kijken me aan als hij zich voorstelt. “het is hier fantástisch !!” roept hij uitgelaten. Hij doet me denken aan een puppie. Als hij een staart had gehad had hij gekwispeld. Het idee was om een ballonvaartevenement op te zetten in Saalbach die week, maar door wat vormfoutjes mocht dat niet, zodat we gedoemd waren met een willekeurige club mensen, enkel verbonden door enthousiasme voor ballonvaren een week op te trekken.

Het waren net 10 kleine negertjes daarzo. Jeroen ( topskier 1) werd op dag 2 afgevoerd met een gebroken rug en na een paar dagen hielden Rija en Jan en team het voor gezien. Dirk, Thea, Jan, Madelon, Imre, Narell en wij bleven over. En daarna alleen nog de laatste 4. Een topvakantie en het begin van een hechte vriendschap.

Als na een poos de verkering uitgaat zie ik Imre een sprong maken. Hij wil groeien. Klaar met het magere… Hij koopt een huis en geeft zijn leven alleen vorm; Tijdens avondjes thuis buiten bij de kachel praten we over toekomst en levensvragen. Daar en tijdens de gezamenlijke ballontripjes is hij altijd het middelpunt van grapjes, humor en gezelligheid.

Ik wil jullie voorstelllen aan “Esmee’ zegt hij op een dag. We blijken nog de laatsten in de rij, want iedereen kent haar al. Onze mening over haar is belangrijk voor hem. Hij is smoorverliefd, dat is overduidelijk. Maar na alle verhalen zijn wij nog niet zo overtuigd. Ze kennen elkaar al uit de tijd van vd Eem. Imre als kok, Esmee in de afwas

Esmee studeert nog, is jong en woont in Amsterdam. En… Esmee weet wat ze wil! Mmm Ja ja, zo’n studente die het wel stoer vindt om een ouder vriendje te hebben dat zijn leven helemaal op de rit heeft? Ik weet het niet. Ik vraag me serieus af of deze Esmee wel goed genoeg is voor onze Im. Ze is 8 jaar jonger dan imre en 18 jaar jonger dan ik!! Als ze komen ben ik verrast. Deze exotische dame is haar kalenderjaren ver vooruit. Toen en ook later heb ik me regelmatig afgevraagd wie van de 2 eigenlijk de oudste was. Esmee verovert al snel haar plek in ons gezin. Attent, belangstellend en het belangrijkste: ze is serieus in de relatie en goed voor Imre! Met hun samen en vele anderen vertrekken we een paar keer per jaar naar het buitenland. Onze ballonvakanties met Ron naar Ferrara en Toblach zijn legendarisch en geweldig. los uit onze ouderrol geven we ons over aan een week vol spanning, skiën, grappa en heel veel lol.

Ik zit bijna bij Imre op schoot als we met een ballonkar langs door de bergen rijden, alsof opschuiven naar links me beschermt als we in het ravijn storten… Op de meest vreemde plekken of op skipistes pikken we Ron en zijn passagiers op. En als het slecht weer is moeten we van ellende skieën. Het liefst nemen we dan de 8; een eindeloos lange piste.

Met veel plezier ski ik voor Esmee uit, die in haar eigen tempo het skieën jaar na jaar volledig onder de knie krijgt. Zelfs als we per ongeluk op de zwarte piste belanden. Ja dat was afzien, zulke weken. Tijdens deze tripjes groeit onze vriendschap door. Regelmatig verzuchten we, dat het altijd zo “vanzelf” gaat.

We zoeken elkaar ook buiten de vakanties vaker op. Ze zijn geweldig met onze kinderen. Anderen vinden het lastig onze vriendschap te plaatsen. Zoveel leeftijdsverschil en in een andere levensfase. En dat klopt! Als ik met Anneloes naar het consultatieburo ga, mag bij Esmee de beugel eruit. Maar toch…we merken het niet. We doen wat vrienden met elkaar doen. …..we maken herinneringen, in goede en slechte tijden..

Esmee en ik worden hartsvriendinnen, boezemvriendinnen. Deze term komt uit de medische wereld en verwijst naar hoe een hart is opgebouwd , elke helft heeft een atrium en een ventrikel. Oftewel een boezem en een kamer. Esmee wordt mijn LBV : linkerboezemvriendinnetje. Angelique is mijn rechter. Onze levens vlechten in elkaar en de bezoekjes , vakanties en weekendjes samen worden frequenter. We koken en eten graag samen en genieten van het leven! Ze krijgen een eigen logeerbed en hun kamer heet in huis : de kamer van Im en Es. 3 generaties door elkaar. Als de meiden ouder worden gaan ze met hen naar popfestivals, musea en pretparken. Tussen hen ontstaat ook een bijzondere vriendschap. Syl is van ons allemaal, maar had een kind van hun kunnen zijn!

Na het afronden van haar studie, het werken in restaurants, de Ballonnerie en de Grolsch academy willen ze weg uit de achterhoek: uitvliegen! ik hoop dat ze in Arnhem komen wonen, maar ze kiezen voor Haarlem. Voor Esmee liggen daar de kansen in de mode branche. Ze vergroeien al snel met het westen en leven daar hun hippe leven. Als ik ze samen zie, ben ik soms jaloers op hun verbondenheid en de lol die ze met zijn tweetjes kunnen hebben. Hun relatie is stabiel en evenwichtig. In moeilijke tijden, wanneer werkdruk hen parten speelt knokken ze zich er samen door. Imre’s geduld om vader te worden wordt op de proef gesteld. En Esmee gaat na de scheiding van haar ouders een diep dal door. In die fase voel ik me voor het eerst soms de oudere vriendin. Als zij weer op de been staan, gaan wij uit elkaar. Onze scheiding verscheurde niet alleen ons gezin, maar onze ook onze 3 generaties verweven groep. Schuldgevoel, loyaliteit , machteloosheid en boosheid beheersen onze gevoelens .
De wonden zijn diep en het gemis groot. Nog steeds zijn we nog zoekende hoe we,op een andere manier onze onderlinge relaties (met onze nieuwe liefdes) op het vriendschaps level kunnen houden en vorm kunnen geven.

Een paar maanden na de scheiding, kondigen Im en es in Friesland hun huwelijk aan. ( goa die boei maar los, anders geet t nie goet! ) We zijn ondanks alles ontzettend blij!
En….ook fijn als mensen de statistieken in balans houden!
Elsemieke en Anneloes zijn getuigen. Wat een eer! Ik ben apetrots. Nu vandaag na 10 jaar zijn ze getrouwd: mijn lieve dierbare vrienden!
Imre heeft inmiddels het postuur waar hij als kok recht op heeft, zijn puppiegedrag is ietsje ingetoomd en Esmee heb ik nog nooit zo gelukkig en stralend gezien als vandaag. Wat heeft ze het perfect gedaan en wat een dag was dit. Met een klein eigen ventje in haar buik gaan ze hun toekomst tegemoet. Ik ben er van overtuigd dat ze  geweldige ouders zullen zijn! (Tenslotte hebben ze al 10 jaar op onze kinderen geoefend!)

Ik feliciteer ze en we geven hen een Haarlems theaterpakket  cadeau waarvan  ze heerlijke avondjes  uit kunnen gaan. En wij?  Wij passen wel op die kleine!!

 

Advertenties

OGZ; ontwikkelingsgerichte zorg bij pasgeborenen

OGZ

Ontwikkelingsgerichte zorg is een nieuwe term voor oude inzichten.
In alle jaren dat ik als verpleegkundige met jonge kinderen werk, is er aandacht voor de ontwikkeling van het jonge lijf en de hersenen.
Het eerste dat ik me herinner,  is dat ik leerde dat een baby niet mocht huilen. Oude inzichten, dat huilen goed was voor de longen ( ja dat is uiteraard nog steeds een welkome eerste levensactie, zodat de pasgeboren samengedrukte longblaasjes zich na de geboorte vullen met lucht!)
Maar na de eerste schreeuw was het beter om een kindje niet te laten huilen. De meningen waren verdeeld. “Je kunt een baby niet verwennen” stond  tegenover: “Even huilen is gezond “
Mijn hoofdzuster destijds riep ons op het matje wanneer ze ontdekte dat we langs een huilende baby liepen zonder te troosten…
Daarbij was de ” Bobath therapie” de gouden standaard. Baby’s konden beter in een emmer gebaad, in ronde houding opgepakt en nooit aan de beentjes opgetild tijdens verluieren.
Armpjes moest men door het mouwtje duwen en niet trekken.
Het liggen op schapenvachten bevorderde de veilige ronde houding en we knutselden hangmatten in wiegjes en couveuses om het slingerende gevoel van ” in de buik” na te bootsen.
We waren heel bewust bezig met iets dat geen naam had.
We wisten niet veel over pijn, het gehoor en prikkels van praten en aanraken bij neonaten.
Het kangoeroeën kwam wel in opmars en we geloofden zeker dat dat goed was. Vooral voor de ouders, want het nut voor het kind was minder onderkend en dikwijls werd de afweging gemaakt tussen de negatieve effecten van het ” uit te couveuse” halen met alle toeters en bellen en het belang van de ouders.
Dat het van vitaal belang was voor het kind wisten we niet…
Nu zijn we gelukkig wijzer! Nu heet wat we voor een deel deden NIDCAP (Newborn Individualized Development Care and Assessment Programme) en OGZ ( ontwikkelingsgerichte zorg)!
Inmiddels is er meer en meer bekend over de ontwikkeling van de hersenen bij pasgeborenen.
In de eerste weken moet het fundament voor de ontwikkeling worden gelegd. Als dat zwak is of scheef, dan kan de ontwikkeling niet optimaal verlopen. Zal het kind later hetzij lichamelijk, hetzij in gedrag hier hinder van kunnen ondervinden.
Zo’n fundament vormt zich met veiligheid. Het veilige en stressarme gevoel dat het kind ervaart, zodat hersenen zich optimaal kunnen ontwikkelen.
Maar ja… Hoe gaat dat samen met alles wat het kind moet ondergaan?
Voor ons verpleegkundigen is dat dus de uitdaging.
Elke handeling bewust uitvoeren, dat is de rode draad.
Niet elke verpleegkundige heeft dat in zijn/ haar systeem zitten en vooral jonge verpleegkundigen moeten dit echt aanleren.
Maar wanneer je alle handelingen bewust uitvoert en je realiseert welk effect je handeling heeft, geef je het kindje eigenlijk al ontwikkelingsgerichte zorg.
Geen sympathie maar empathie!
Dus voel wat het kind voelt, probeer je te verplaatsen. Dan wil je niet wakker gemaakt om geprikt te worden, je wilt geen fel licht als je wilt slapen, geen pijn zonder troost, en heel veel lieve zachte woordjes in plaats van piepende infuuspompen…
Je wilt geen 20 paar verschillende handen aan je , die goedbedoeld altijd anders aanvoelen dan dat 2 paar die je elke dag voelt en gaat herkennen ( namelijk die van papa en mama)
En dus wil je ook niet van hand tot hand gaan tijdens de kraamvisite….
Als verpleegkundigen proberen we ouders bewust te maken van het belang van het fundament, waarop het kind zijn groei kan bouwen.
Welke lichaamstaal laat hun kind zien? Wanneer wordt het moe?
Een flesje drinken in zijligging is misschien voor ouders minder knus, maar kijk eens hoe heerlijk het is, wanneer het kindje zich niet verslikt.
Hoe ligt het lekker en hoe belangrijk is troost? Niet alleen tijdens een ingreep maar ook vooral erna. Denk maar eens aan jezelf. Het is altijd het moment ná iets ingrijpends dat je staat te trillen op je benen, een glaasje water nodig hebt om bij te komen.
We kunnen de pijn, het ongemak niet voorkomen, maar we kunnen het zeker verzachten en hopen dat op onze zorgvuldig gestorte fundamenten prachtige kinderen gaan groeien!

Hopeloosheid

Ze ligt op haar zij, met haar ogen wijd open. Ze knippert bijna niet. Haar ademhaling is hijgend, hoorbaar, snel .

Het plastic snorretje onder haar neus, waardoor ze wat extra zuurstof kan inademen, lijkt eerder in de weg te zitten dan te helpen, gezien de geïrriteerde bewegingen van haar neusvleugels.

Als ik zachtjes naar het bed loop, bewegen alleen haar ogen. Ze zwijgt.

“Goedemorgen,…ik zie dat u wakker bent. Heeft u wat kunnen slapen vannacht? ” vraag ik.

Ze slaat haar ogen ten hemel en zegt niks. Ik begin zachtjes wat op te ruimen rondom haar bed en tel haar ademhaling. Te snel.
“Het is allemaal niks meer” zegt ze vlak.
Ik weet niet wat me triggert, maar de wanhoop op haar gezicht, de manier waarop ze me haast smekend aankijkt, maakt dat ik een stoel bijtrek en naast haar ga zitten.
“Wat is niks meer?” vraag ik en ze begint voorzichtig te vertellen, eerst in korte opmerkingen en later over de hoed en de rand. Ik vraag en zij vertelt.

Ze is pas 63 jaar oud. Heeft nieren die bijna niet meer werken. De shunt voor de (in de toekomst noodzakelijke) dialyse is al ingebracht.
Haar longen zijn niet goed, maar “ze” weten nog niet wat het is en door deze twee haperende orgaansystemen vindt haar hart het ook eens een te grote opgave geworden. Ze heeft al 30 jaar suikerziekte en zit midden in een staarbehandeling voor haar ogen.

Ze is vannacht gekomen met “vocht achter haar longen”. De derde opname deze maand en ze is “op”. Ze wil niet meer. Het hoeft niet meer voor haar.

Ik heb dit vaker horen zeggen door patiënten. Het verwerken van de diagnose, de acceptatie van het ziek zijn; Het is soms een moeizame zware weg. Niet de ernst van de diagnose of prognose, maar de beleving is geldend, altijd.

“Dat valt allemaal niet mee” zeg ik en probeer me in te leven welke impact al deze ziekten op haar leven moeten hebben. Instinctief probeer ik haar op te vrolijken. Benoem de infuustherapie met vochtafdrijvende medicatie, die er ongetwijfeld voor zal gaan zorgen dat ze zich beter al gaan voelen. “Voor hoe lang?” vraagt ze me.
Ik benoem het effect van de zuurstof die haar wat comfort geeft . “ En dan mijn leven lang aan de zuurstof of de dialyse zitten!” is haar boze reactie.
Ik probeer met haar mee te bewegen en haar tegelijkertijd lichtpuntjes voor te houden; Het bezoek dat straks komt, het zonnige weer.

“hou je bek dicht!!!” schreeuwt de verstandelijk beperkte buurman.
Mevrouw kijkt me aan met een geschrokken blik. De eerste emotie die ik bespeur. Een fractie en dan vervalt ze weer in de apathie. Ik heb ontzettende medelijden met deze vrouw en merk dat ik mijn gevoel wegbabbel.

Toch merk ik dat ze wel luistert naar mijn geklets. Soms kijkt ze me aan, dan weer slaakt ze een wanhopige zucht. Het heeft allemaal geen zin. Ik overleg met haar dat ze nog wat uitrust en dat ik haar daarna zal wassen. Het zal haar een zorg zijn.

De kleine pauze geeft me gelegenheid in haar dossier te duiken. Ik lees haar voorgeschiedenis en zie, dat ze de vorige opname ook bekend was met somberheid en depressieve klachten. Maatschappelijk werk was er al bij betrokken.

Mensen reageren altijd op mijn werk als kinderverpleegkundige met medelijden: hoe zielig zieke kinderen zijn. Dat ik dat kan. Zij zouden het zelf nooit kunnen, het werk dat ik doe ( weet jij wat ik precies doe?), maar oh wat knap dat ik dat kan. Zo dankbaar…

Geloof me, zieke kinderen zijn niet dankbaar, hun ouders wel!
Kinderen ondergaan, verzetten zich, berusten en zoeken troost en afleiding, tot ze weer beter zijn. Zieke kinderen hebben een natuurlijke levensveerkracht die uniek is. Zijn ze ziek, zijn ze miserabel, worden ze beter, zijn ze ook bijna meteen weer zichzelf. En de allerliefste worden het ziekst…

Op de interne afdeling waar ik nu stage loop voor de HBOV , is het een ander verhaal. Infauste prognoses, naderende levenseinden, familie die weggevallen is, eenzaamheid, pijn en wanhoop. Het is aan de orde van de dag. Ik moet er erg aan wennen en merk dat ik medelijden heb met ieder individu die aan mijn zorg is toevertrouwd.

Ik bijt me vast in deze casus. Wat kan ik doen? Hoe erg is het met haar depressie? Ik besluit haar signalen serieus te nemen en later nog meer daarop door te vragen.

Nadat ik boze buurman met engelengeduld onder de douche heb geholpen, scheldend en tierend, want hij heeft geen zin en ik moet hem met rust laten, ga ik weer naar mijn mevrouwtje.

Ik benoem haar verdriet en vraag of ze dit vaker heeft gehad.
“Weet je lieve meid,” zegt ze “vorige keer hoefde het al niet meer, toen was het precies zo. Ik heb zo mijn best gedaan en toen mocht ik eindelijk naar huis, maar ik kan niks, ik kan helemaal niks.
Ik ben liever dood dan dat ik zo moet leven”
Ze kijkt me verdrietig aan. “kunnen ze me niet gewoon wat geven dat het afgelopen is?”

Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen. Er zijn wel lessen over dit soort gesprekken, maar die vergeet ik altijd als ik er midden in zit. Ik praat verder vanuit mijn gevoel en wil weten waar ze staat, hoe ernstig het is. Ik vraag aan haar of ze wel eens aan zelfdoding denkt. Haar ogen lichten op: “elke dag!”” zegt ze. Ze lijkt bijna blij dat ik deze duistere kant benoem.
“Ook gezegd hoor, tegen mijn man en zonen, dat ik me dood wou rijden, of pillen innemen”
Ik ben verbaasd over haar openheid.
“Hoe reageerden zij daarop?”vraag ik nieuwsgierig.
“Ach…ze geloven me niet…” het blijft even stil en ze vervolgt: “weet je meis, ik ben altijd positief, altijd vol energie. Maar ik KAN niet meer! En zij geloven me gewoon niet. Zeggen dat ik het wel red, dat het beter wordt. Maar het wordt niet beter, dat voel ik toch?”

Ze is klein en kwetsbaar. Ik pak haar hand vast.
“Dat lijkt me heel moeilijk” zeg ik en ze zucht diep. “Ik wil niet meer, ik kan het niet. Ik heb geen hoop, niets wat me interesseert, helemaal niets.”

Ik opper hulp van medicijnen tegen depressie. Hulp van een psychiater, om uit dit dal te komen. Om haar te leren dragen. Dragen van de last waarmee ze opgezadeld wordt.
“Praten helpt niet” zegt ze vlak, “Wel fijn hoor, dat je naar me luistert ”voegt ze er aan toe.
“je doet het niet voor niks.”

“Zusteeeeer!!! Ik moet poepen!!! ”schreeuwt de buurman. En mevrouw doet haar ogen dicht.“Ondankbare man!” zegt ze.

Ik probeer mijn opgewekte humeur niet compleet te verliezen op deze beladen kamer en verpleeg beide zo neutraal en meelevend mogelijk.

Bij de artsenvisite geef ik aan dat ik me ernstige zorgen maak over de psyche van mevrouw.
Ze heeft haar insuline in eigen beheer. Met wat eenheden extra spuiten, kan ze haar plannen immers zo uitvoeren…?
De internist kijkt in het dossier en leest net als ik dat mevrouw bekend is met deze klachten.
“Oh, dat zien we dan maandag wel weer” zegt hij. Ik ben stomverbaasd. Geen praatje? Niet checken? Geen inschatting van de risico’s op dit moment? Wat een betrokkenheid!
Maar ja, het is weekend, en dan doen we alleen het “noodzakelijke…”

Die middag vraag ik rechtstreeks aan mevrouw of ze op dit moment veel suïcidale gedachten heeft.
Ze stelt me gerust, door uit zichzelf te vertellen dat ze nog niet zover is. Zij het wel zou willen, maar ze kan het haar man nu niet aandoen. Bovendien heeft ze niet genoeg ampullen in het ziekenhuis.
Oke, dat pleit weer voor de inschatting van de arts.

Bezwaard ga ik die dag naar huis. Ik voel een gevoel van falen. Ik, die de verdrietigste patiënt altijd wel enigszins kan opbeuren. Met mijn positieve kijk op het leven ben ik vrijwel altijd in staat om iemand iets van relativeren mee te geven. Niks is gelukt vandaag.

De volgende dag vertelt mijn collega tijdens de overdracht dat de broer van “mijn mevrouw” overleden is vannacht. Ze hadden haar wakker gemaakt om het slechte nieuws te vertellen.
Ik schrik! Dat kan ze er nu even niet bij verwerken!
Mijn collega vertelt dat ze het “goed opnam” . Ze had het aangehoord en was verder gaan slapen. Had niet gehuild. Dat verbaasde haar, maar mij niet; wanneer je zo depressief bent als zij, dan voel je namelijk niks, heb je geen tranen….

Ik ga naar haar toe en condoleer haar.
“Ah meisje, was je er weer” is haar reactie. Ik praat door over haar broer.
Ze bevestigt wat ik dacht. Ze had niks gevoeld. Dat was toch best raar? Of ja, ze voelde toch wat. Jaloezie. “Kun je jaloers zijn op de dood van je broer?” vraagt ze me.

Deze dag is een herhaling van de vorige. Ze praat en praat in cirkels. Over de uitzichtloosheid, de wanhoop en de wens dood te willen.
Toch gaat het lichamelijk beter met haar! De diuretica doet zijn werk. Het vocht verdwijnt achter de longen en ze kan af en toe even op de stoel zitten.

Bij de visite vraag ik weer naar de mogelijkheden van een psychiater. De internist gaat deze hulpvraag checken bij mevrouw en maakt zowaar een aantekening in het dossier : of zijn collega maandag een psychiater in consult wil vragen.

In de week daarna boek ik een beetje vooruitgang. Ik kan haar echtgenoot betrekken, steun ze door nog een slechte prognose van de longarts heen (ze heeft waarschijnlijk nog een kleine 2 jaar te leven) en de psychiater schrijft gelukkig antidepressiva voor . Maatschappelijk werk wordt hervat en samen met het lichamelijke herstel, lijken haar gedachten toch voorzichtig van zwart naar grijs te gaan.
Ik reflecteer ( ik ben tenslotte weer leerling) op het dilemma: “Distantie en betrokkenheid als zorgprofessional.” Ik realiseer me dat het mooie terminologie is voor empathisch een medemens steunen als verpleegkundige…

Intussen heb ik via school een verpleegkundig zakboek gekregen van Carpenito.

Ik zoek naarstig naar de diagnose “Depressie”om te checken of ik bij deze mevrouw alle interventies heb toegepast die op HBO nivo denkbaar zijn. Ik kan het niet vinden, totdat ik ergens een verwijzing vindt naar iets anders: “hopeloosheid”

Definitie “hopeloosheid: Geen mogelijkheden zien om problemen op te lossen of verlangens te realiseren en zelf niet de energie kunnen opbrengen om doelen te stellen.”

Interventies: hoop bieden, waardeverduidelijking, ondersteunen besluitvorming, geestelijke ondersteuning, bevorderen mantelzorg.

zorgresultaat: besluitvorming, depressiebestrijding, hoop, kwaliteit van leven
korte termijn: de patiënt heeft optimistische gevoelens over het heden

Ik ben blij met deze bevestiging: ik doe wat ik kan, ook volgens het boekje…

Ongeveer een week na de opname, zie ik haar eerste glimlach.
Ik kijk haar aan. “je lacht!” zeg ik.
Ze knikt tevreden en vertelt me over een oude bekende die ze heeft opgezocht de vorige avond. Op de cardiologie waar diegene is opgenomen.
“Ze was zo blij me te zien” vertelt ze blij, “ik heb weken met haar op een kamer gelegen”
Ik lach met haar mee. “Wat fijn! Wat goed van je!”
“Ja he!” zegt ze “ik voelde gewoon dat ik dat moest doen en het voelde zo goed!
Ze kijkt me aan en is even stil. Dan zegt ze met een zucht: “Ik moet er dan die twee jaar toch maar wat van gaan maken nietwaar?”

Taboe

“dit vergeet ik nooit”
Vandaag gepubliceerd in V&VN magazine: lees hier het complete verhaal

zuster Anna

TABOE

Tijdens de overdracht werd ik al gewaarschuwd: Bij Freek op de kamer stinkt het! Mijn collega van de nachtdienst had al pepermuntolie gesprenkeld en ze hoopte dat het hielp, want de lucht was niet te harden.
“Eigenlijk zou iemand die ouders moeten aanspreken, want zij zijn het!” zegt ze en kijkt de groep rond.
“Ja, dat klopt, ik vond het eergisteren ook vreselijk om op die kamer te zijn, die ouders ruiken naar zweet. Volgens mij douchen ze zich niet. Ze hebben al dagen dezelfde kleren aan” beaamt een collega. Ik ben niet zo’n ochtendmens, dus deze zijdelingse informatie druppelt langzaam bij me binnen terwijl ik ondertussen op mijn werkbriefje naar Freek zoek. Freek is 6 jaar oud en opgenomen met een geperforeerde blindedarm. Hij krijgt antibiotica, vocht en voeding door het infuus. Een high care kind.

De collega’s praten verder over de noodzaak dat er met ouders gepraat…

View original post 2.297 woorden meer

Dagritme


Moeder en kind liggen samen op één kamer: hiep hiep hoera!! Het kwartje, dat moeder en kind ook ná de zwangerschap onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, óók (juist!) wanneer het kindje ziek is, te vroeg geboren is, of andere opstartproblemen heeft, valt langzamerhand overal in zorgend Nederland.
Moeder – kind centra, kraamsuites, couveusesuites, familie centered care rooms, single care rooms, gezinsgerichte suites, ze rijzen stuk voor stuk als paddenstoelen uit de grond.

Ook in ons ziekenhuis verlenen wij “gezinsgerichte zorg. Op de kraamafdeling én op de couveuseafdeling.
Op heuse suites, met plaats voor vader. Topzorg voor moeder en kind. Strevend naar het WOW ( wat ouders willen) neokeurmerk.

Mijn start met de suites was wel even wennen. Na een aanloop waarin we konden meebeslissen , een stukje opfrissen en scholing over de zorg voor de kraamvrouw ging het project van start.

In het begin ” vergat” ik wel eens voor de moeders te zorgen. Neonatologiezuster als ik ben, was ik totaal gefocust op de zorg voor het kind. En ouders (die ook maar één zorg hebben, namelijk hun kind) vonden dat ook nog prima. Als hun hummeltje er maar lekker bij lag.
Kraamcontroles bij moeder en beschuit met muisjes waren bijzaak. Dat deed ik wel als ik tijd over had.

oooh…. ja erg he? Zo ging dat in het begin. De intentie was er echt wel, maar het automatisme niet. De vanzelfsprekendheid moest groeien in de praktijk.
Ik moest het nog leren , dat familie centered care nursing.

Zo, dat was bekentenis één.

Verder vond ik in het begin de kraamvrouwen vaak wat ” zeurderig” en erg claimend in hun zorgvraag. Als kinderverpleegkundige was ik duidelijk de volwassen patiënt ontgroeid.
Op de één of andere manier heeft het even geduurd om het knopje van ” moeder van het zieke kind dat ik verpleeg” om te zetten naar ” mevrouw die zorg nodig heeft terwijl ze bij haar zieke kind is, die ik allebei verpleeg”

Maar, na een poosje ging die knop om en inmiddels zit hij muurvast, maakt u zich geen zorgen.
Ik ben namelijk lichtelijk doorgeslagen naar de andere kant.

Ik coach ouders inmiddels door het kraambed heen, vertroetel moeders, prijs de papa’s met duizend poten, luister naar de bevallingsverhalen, droog kraamtranen op de 3e, 4 e en soms zelfs op de 5 e dag. Weet ineens alles van stuwing, kraamklachtjes en andere (ab) normale zaken.

En….Ik leer ze voor hun zieke kind te zorgen.

Want dát is immers het concept? Autonomie bij de ouders. De regie uit handen geven en sturen en steunen waar nodig. Ik vind het heerlijk.
Ik voer gesprekken over zorg die ik nog nooit gevoerd heb, vraag of ik nodig ben en wanneer ze me het liefst wel of juist niet zien op hun suite.
Meestal gaat dat goed. Zijn ouders verbaasd over de enorme rol die ze al toebedeeld krijgen. Ze oefenen en leren snel.
Andere ouders hebben meer sturing en voorbeeld nodig. Elk ouderpaar is anders.

Toch wordt er ongelofelijk veel van hen gevraagd. Omdat we hun rol en hun taken zo uitgebreid beschrijven volgt ook de wens om dat inderdaad allemaal zelf te doen, zonder dat deze verse ouders in staat zijn om dit al te doseren.
Even voor de beeldvorming wat een verse moeder allemaal ” mag” meemaken in de eerste week na de geboorte….als ze dus bij haar kindje op één kamer ligt.

In ons aller enthousiasme lieten we namelijk de ouders, als ze dat wilden, zelf verschonen, verzorgen, wassen, en voeden. Acht keer per dag borstvoeding of flesje proberen gevolgd door ongehaast sondevoeding geven, afgesloten door een goede kolfsessie.

Daarbij is natuurlijk huid- op huidcontact van vitaal belang, komt het bezoek gezellig langs, moet baby ontwikkelingsgericht comfortabel gecontained worden, leren ouders van de fysiotherapeut motorische ontwikkelingssignalen te herkennen, leert de logopedie hen ingewikkelde series slik, zuig adem zuig slik series te herkennen, worden ze gefilmd door de pedagogisch medewerker, bijgepraat door de kinderarts en ondersteund door maatschappelijk werk. Wij verpleegkundigen managen dit dan case aan elkaar.

Oh ja, en dan moet ze ook nog ( laxerend) eten tussendoor, zelf mobiliseren, haar hechtingen goed spoelen, naweeën wegzuchten en natuurlijk…UITRUSTEN!
En iedereen weet, dat wanneer je rust nodig hebt, je eigenlijk beter niet in het ziekenhuis kunt zijn. Vooral wanneer het alarm bij de baby regelmatig afgaat , infusen piepen, of je geacht wordt te slapen naast drie fototherapielampen.

Kortom, wanneer moeder na 10 dagen kraamtijd in het ziekenhuis naar huis moet ( dan is het verzekeringsgeld op), is het een wonder dat ze niet overspannen is.

Als verpleegkundigen zagen we dit met lede ogen aan, zetten ’s nachts (totaal tegen de visie van gezinsgericht verplegen) baby’s op zaal neer, zodat de moeders konden slapen. Hoe wij ook ondersteunden, de meeste kraamvrouwen liepen de hele dag in een race tegen de klok tegen zichzelf aan.

Maar… We hebben nu een wondermiddel!! Zorg kan soms zo simpel zijn…

Géén geneesmiddel, maar een symptoombestrijder. Het is geen pil, geen zalfje en geen ingewikkeld zorgplan. Het is één A-4 tje!

De ” verse” moeder krijgt een voorbeeld dagindeling op papier, die ze zelf kan aanpassen naar eigen wens. Het praatpapier voorziet in alle verzorgronden van moeder én kind en geeft eetmomenten en rustmomenten aan. Ruimte om de zorg aan de verpleging over te laten, bezoek te ontvangen ( ik zorg voor de beschuitjes) en een frisse neus halen.

Noem het een vorm van betutteling, maar het blijkt wel een mega succes!

Het lijkt precies datgene te zijn wat mensen helpt om de dagstructuur te vinden en toe te geven aan hun eigen basisbehoeften. Het staat immer zwart op wit dat ze tussen 12 en 14 uur geluncht moet hebben. De lichte tijdsdruk maakt dat ze efficiënter hun dag benutten en meer tijd hebben om echt te rusten, Huid op Huid met baby natuurlijk.

Oude 3 x R wijsheden weer toegepast binnen het nieuwe zorgconcept : Rust Reinheid en Regelmaat. Voor het kind uiteraard nog steeds, maar ook zeker voor de mama’s!

Uniform

Het is druk bij het KIKU loket. Deze exotische naam staat voor Kleding Inname en Kleding Uitgave. Het bestaat uit 2 scanpunten, 3 gleuven om je uniform uit te halen en 2 brievenbussen om ze weer in te leveren ( zakken leeg, want een paspop gekleed in een vuil, met inkt besmeurd uniform, maakt ons dagelijks bewust van de kosten die het ziekenhuis maakt en wordt slim ingezet om ons Alzheimergedrag aan banden te leggen.

Met je personeelspasje kun je dan aanvinken of je een broek of een hesje wilt.
Het systeem weet je maat en voorkeur; zo knap!

Ik scan en gelukkig heb ik voorraad. Dat is mooi, want anders heb je een probleem. Als je je pakjes niet in de brievenbus hebt gegooid, heb je de volgende dienst dus geen schoon uniform.
We zijn niet bij Albert Heijn, dus er mag niet gehamsterd worden!
Het systeem houdt hierbij helaas geen rekening met over je heen spugende baby’s of bloedende wonden…nee, je krijgt er maximaal 2!
De uniformen worden door robothandjes aan de draad geslingerd.
Ik gluur door de kier naar het magisch ronddraaien van de kleding die alle beroepen in het ziekenhuis vertegenwoordigt.
Ik vraag me af wat KIKU vandaag voor mij in petto heeft.

De spanning stijgt als het koord iets minder snel beweegt. Handje pakt… een nieuw jasje! Mooi! Dan zal ik waarschijnlijk aan het einde van de avond nog steeds dezelfde pen gebruiken en heb ik geen plakband nodig om naadjes te dichten.
Ik pak de hes en gluur weer door de kier…Handje pakt … een oude broek: gelukkig!
Ja, want was het andersom, moest ik de hele dag mijn buik inhouden en niet lachen of hoesten.
Het is elke dienst weer spannend. Want ook al is mijn maat bekend. De variatie binnen de S hesjes en M broeken is enorm! De ene dag moeten er een paar knoopjes extra open en de andere dag ben ik geneigd op de weegschaal te gaan staan omdat ik plotseling erg mager lijk te zijn geworden.

Ik herinner me nog mijn allereerste ” uniformpasdag” .
In mijn opleidingsziekenhuis was het tijdens de preklinische periode een uitje om bij de linnenkamer ons eerste witte pakje aan te trekken.
Wat waren we trots! In het wit hoorde je erbij, je was meteen ” zuster” .
Het gaf status…
Ik kreeg er zes, met mijn naam erop. En een kastje om ze te bewaren.
Zo jammer dat de hoofdkapjes toen al afgeschaft waren…

De jurk was kuis over de knie, had grote puntkragen en drukknopen die lolbroeders graag opentrokken in de wandelgangen.
Onder het jurkje droeg je een onderrok, hemd en panty’s! Alleen bij temperaturen boven de 25 graden mochten deze laatste achterwege blijven.

Die onderrok was het ergste. Je mocht namelijk niet ” vlaggen”.
En voor wie denkt dat dat iets met rood/wit/blauw te maken heeft…nee!
Vlaggen is het verschijnsel dat de onderrok onder het uniform uitkomt.
Stel je voor, elke keer als je een patiënt omhoog geholpen had in bed( rok omhoog, door de knieën, hijsen, rok weer naar beneden)
moest je even checken of je niet vlagde.

Maar het werd beter! De leerlingengroep namelijk na ons, noemde hun groep ” the first naked legs”, omdat in hun startjaar de panty ook in de winter niet meer verplicht was: een ware Hoogeveense revolutie!
Daarna kwamen de broekrokken en later de lange broeken.
Hoe fijn werkte dat!
Vandaag de dag kun je nog steeds kiezen tussen rok of broek. Wel in uniforme kleuren, die aangeven welke rang je hebt en met de personeelspas linksboven het hart gedragen.
In ons ziekenhuis hebben we namelijk meer uniformcodes dan het leger.
Wit met groen en grijs, wit met grijs en groen, iets meer groen, helemaal groene polo, lang wit, stemmig ok blauw.
Knappe zorgvrager die ons uit elkaar houdt, maar we houden elkaar tenminste wel uit elkaar, al gaat dat bij mij niet verder dan: ” geen verpleging”

Ik neem de lift en kleed me om.
De hes gaat goed, de zakken zijn heel en hij schijnt niet door.
De broek past niet! Nee…Heb ik weer!
Oh wacht… past toch, de knoopjes zaten nog op de strakste stand.
Ik mijmer over degene die vóór mij deze broek heeft gedragen.
Was dat eergisteren? Hoe snel is zo’n pak eigenlijk weer beschikbaar?
Waar zou ze gewerkt hebben? Baalde zij dat ze de knopen vast moest maken? Als ik de pijpen omsla moet ik de touwtjes uit de knoop halen.
Nog een puzzelstukje gevonden; mijn collega was klein!
Ik maak het uniform passend door delen om te slaan, op te rollen en vast te knopen totdat het als gegoten zit…

Ik stop mijn haar in een clip en hou mijn buik in.
Nog één keer kijk ik verlangend naar mijn spijkerbroek met stretch op de plank.
Ja, stretch zou een hoop doen in een maatmarge van zeker 6 kg en nog eens 2 kg voor de onderlinge verschillen in uitvoering van de uniformen..
En dan heb ik het nog niet eens gehad over mijn eigen marge…
Die 2 tot 4 kilootjes meer of minder van vrije dagen, veel f weinig sporten, verjaardagsweekend en het wel of niet succesvol ” balansen daarvan.

Oké, aan het werk dus!

Douchen

Douchen

Douchen na het hockeyen blijft een “dingetje”.
Na de trainingen is het überhaupt geen optie en na de wedstrijden zijn de meningen over “moet er nou wel of niet gedoucht worden door de jeugd?” enorm verdeeld.

Belast met ervaringen uit het verleden ( de gymleraar die controleerde, zelf mikpunt van spot geweest of juist superherinneringen aan handdoekgevechten) projecteren coaches, trainers en ouders hun eigen ideeën bewust of onbewust op hun kinderen.

Voor de één is het vanzelfsprekend, terwijl de ander het grote flauwekul vindt.
Tegenstanders zien het nut niet, verafschuwen met hun kinderen de onhygienische douchegelegenheden, willen na de wedstrijd hun kind snel mee naar huis nemen, zij verplaatsen zich in de gevoelige kinderzieltjes.
Voorstanders vinden een auto vol ” stinkende” jeugd onsmakelijk, geloven in teambuilding onder de douche en pleiten voor verplichting.

Ertussen in hebben we dan onze kinderen.
Hoe sterk het teamgevoel ook is, in ieder team zijn drie groepen:
Zij die niet willen douchen
Zij die wel douchen (met of zonder schaamte)
Zij die wel willen douchen, maar het niet doen omdat ze niet durven

Kortom, het teamgevoel ligt in aanleg al in de spagaat.
Bij alledrie de groepen zal ondersteuning van ouders medebepalend zijn voor de uiteindelijke keuze van het kind.
Ik kan me nog herinneren dat ik met open mond van verbazing aanhoorde dat er midden in de winter een nieuwe bikini moest komen om in te kunnen douchen na het hockeyen.
Op mijn vraag ” schaam je je dan?” ontkende mijn kind, maar ja, zij kon daar moeilijk alléén in haar blootje gaan staan douchen…
Schaamte werd dus gecreëerd in haar geval.

De vraag rijst, waarom zouden we de kids verplichten tot iets wat zij zelf niet nodig vinden, stress oproept en weerstand opwekt.
Tel daarbij op dat de mobiele telefoon van onze jeugd een dodelijk wapen is en in de kleedkamer een loerend gevaar is voor verspreiding van akelige filmpjes en foto’s op instagram, facebook, twitter of YouTube.
Wanneer je dan op het nieuws hoort dat hockeymeisjes door hun coach bespied werden, Brrr.
Gelukkig heeft onze club als reactie daarop een helder veiligheidsbeleid opgesteld!

Maar goed, ik blijf toch twijfelen. Want het is toch óók ergens goed voor dat douchen?
Wat geeft nu de doorslag? gezondheid of kindercomfort?
Het feit blijft natuurlijk dat je bij het hockeyen zweet! Die transpiratieresten moeten van de huid gespoeld worden omdat het zout bevat en dat is niet goed voor je huid ( daarom gaat het ook jeuken op langere termijn….
Een goede doorbloeding zorgt er bovendien voor dat de afbraakproducten die met sporten vrijkomen weer snel door je lichaam afgevoerd worden.
Diezelfde goede doorbloeding is goed voor je huid.
Wat veel sporters niet weten , is dat een gezonde huid ontzettend belangrijk is bij sportprestaties. Immers, je huid zorgt ervoor dat je je warmte gedoseerd kwijtraakt.
Warmteregulatie noemen ze dat.
Dus qua gezondheid geldt in de basis dat (lauwwarm) water op je lijf én water in je lijf heilzaam zijn na het sporten om weer in balans te komen.

Maar goed, dat kan ook later…thuis.
Ja? Kan dat?
Natuurkundig gezien, is dat niet slim. Niet dat ik zo’n bèta ben, maar het principe is namelijk hetzelfde als bij een natte pasgeboren baby (en dat snap ik!)

Warmte verlies je door: geleiding, stroming, verdamping en straling
Dus, na het sporten op de fiets, in een koudere omgeving , vaak in de wind met je dunne, bezwete kleren naar huis fietsen werkt spierpijn in de hand en belemmert de afvoer van schadelijke stoffen die vrijkwamen met sporten.

Qua gezondheid is dus het parool: na het sporten eerst douchen en vervolgens droge kleding aantrekken.
Qua teamgevoel is samen douchen geen garantie voor het “builden” van een teamspirit.
Schaamte en angst voor afwijzing moet zeker serieus genomen worden bij onze (pre) pubers.

De gedragsverandering naar het automatisch direct douchen na het sporten is iets dat je als team en teamouders moet onderschrijven, anders is het zinloos. Dus, liever laten we onze eigen frustraties en normen achterwege en laten we dingen waar ze horen, binnen de betreffende jeugdteams!
Laten we onze kids stimuleren om te douchen! Liever in bikini of onderbroek douchen dan niet. Voor ons ouders ook wel prettig op de terugweg in de auto!
Telefoons tijdens het omkleden inleveren bij de coach zou een extra maatregel kunnen zijn om het gevoel van veiligheid te vergroten.

Niet smoezen maar doezen!

Ouders naast de couveuse

Ouders naast de couveuse

Wanneer mijn avonddienst begint zit ze er al. Of nog steeds, dat weet ik niet , want ik kom net binnen.
De moeder van Bradley zit tussen twee couveuses ingepropt, zoals altijd.
Links ligt Bradley en rechts ligt Eva.
” Goedemiddag” zeg ik vriendelijk.
Ik loop ons kantoor in voor de overdracht.
Eerst even overdragen, dan kan de dagdienst weg.

Ik voel haar blik in mijn rug en trek de deur achter me dicht. Zou ze dat vervelend vinden?
De teampost is van ons. Hier dragen wij over, hier uiten we onze zorgen, hier stellen we onze verpleegproblemen en -doelen vast.
Tijdens de overdracht hoor ik dat de moeder van Bradley er de hele dag is en dat men zich zorgen maakt of ze het wel vol gaat houden.
Ik beloof met haar te praten vanavond.

Wanneer ik na de overdracht de couveuseruimte inkom, veert de moeder van Bradley overeind. Ik vermoed dat ze even in slaap gesukkeld was. Ze kijkt me verwachtingsvol aan, maar ik heb niks nieuws over hem te vertellen.

” Ik kom straks even bij je” zeg ik.
Ik vind het fijn om aan het begin van mijn dienst al ” mijn” kindjes even te zien. Hoe zien ze eruit? (zieke neonaten laten soms subtiele veranderingen zien als ze verslechteren). Staan alle alarmgrenzen goed, lopen de infusen goed enzovoorts.
Ze gaat weer zitten.

Een kwartiertje later kom ik terug.
Moeder kijkt continue heen en weer van mij naar Bradley en weer terug.
Alsof ieder moment dat ze niet naar haar kind kijkt, er iets kan gebeuren dat ze niet mag missen.
” Jullie Bradley doet het goed he? Zo goed gegroeid weer vandaag en steeds minder alarmen. Wat fijn!” zeg ik, om het gesprek te starten.
” nou, gelukkig wel zeg, gister was hij helemaal niet gegroeid. maar is het dan nu niet teveel? is het geen vocht?” vraagt moeder bezorgd.
Ik kan haar geruststellen, we kijken samen naar haar zoon.
” En hoe gaat het met jouzelf? Denk je ook wel aan jezelf?” vraag ik haar terwijl ik haar onderzoekend aankijk.
Ze ziet er bleek en moe uit. Dikke kringen onder de ogen.
Nu het zo goed gaat met Bradley gun ik haar ook een stukje ontstressen en bijkomen van het hele gebeuren.
Elke dag is ze er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.
Dan zit ze in die ongemakkelijke tuinstoel en lijkt compleet in haar eigen wereldje met haar kind te zijn.
” ja, met mij gaat het prima” zegt ze kortaf.
” de rooming in kamer is vrij, als je nog even zou willen liggen….” opper ik.
Ze knikt en legt ondertussen een volle hand op Bradleys buikje , terwijl hij onrustig wakker lijkt te worden. Onder haar aanraking is hij meteen weer rustig.
Ik kan me voorstellen dat het moeilijk is om je weg te rukken bij je kind wanneer je elke vijf minuten het bewijs geleverd krijg hoe onmisbaar je bent.
Toch denk ik dat wij (verpleegkundigen) best een aardige vervanging kunnen zijn…
Zou ze hem mij niet toevertrouwen?
Voelt ze zich tekortschieten?
Ik wil haar uitleggen hoe belangrijk het is om de energiebatterij opgeladen te houden.
Bradley is nog zo klein en hij begint pas net een beetje zelf te drinken. Het gaat nog wel even duren. En thuis begint het pas…

Dan begint In de couveuse ernaast Eva klagelijk te huilen, haar ouders zijn er niet.
Ik breek het gesprek af, met de belofte dat ik straks nog even met haar kom kletsen. Bradley’s moeder keert terug in haar cirkel en ik stap eruit.

Die avond blijft het druk. Eva kachelt in en moet o.a. een lunbaalpunktie ondergaan. Ik scharrel vaak rondom haar couveuse.
Dit gaat letterlijk lastig, omdat de moeder van Bradley in de weg zit.
Nou ja, in de weg…. Eigenlijk is het meer zo dat de couveusekamer gewoon te klein is! De twee m² om een ziek kind te verzorgen zijn gewoon te weinig, zeker met meerdere hulpverleners tegelijk.
Het liefst trek ik even een gordijn om de couveuse dicht.Niet omdat ik niet op de vingers gekeken wil worden, maar vanwege de privacy van het kind en diens ouders.
Maar dat gordijn past alleen als er geen andere moeder zit.
Ik vind het lastig om te vragen of de moeder van Bradley weg wil gaan.
Ze heeft het volste recht om naast haar kind te zitten. Bovendien is het goed voor Bradley en voor haar.
En toch…
We moeten het doen met deze beperkte ruimte, deze beperkte privacy ( leve de gezinssuites!) dus ergens verwacht ik ook dat ouders onderling elkaar dat stukje gunnen en zich uit zichzelf even terugtrekken. Zeker als je voelt dat je letterlijk in de weg zit. Het gaat vaak maar om een half uurtje.
Maar ja, dat zijn verwachtingen, die nooit uitgesproken worden…
Daarbij wilde ik eigenlijk dat de vader of moeder van Eva er bij waren en die gingen juist weg!

Eva’s ouders zijn bezorgd en bang.
Ik moet hen er geregeld van overtuigen dat ik er echt geen last van heb, als ze bij haar zijn, dat zij haar kunnen troosten.
Ik laat hen zien hoe ze dat kunnen doen; Praten, sussen, strelen.
Ze vinden het doodeng en vluchten de ruimte uit zodra ze kunnen. ” Ik kan echt niet tegen bloed” zegt moeder. ” Zij is nog zo klein, en al die snoeren…” verontschuldigt vader.
Ik vind het moeilijk te begrijpen. Ik vind het zo jammer, dat sommige ouders zichzelf minder belangrijk achten dan ons, de zorgverleners.
We hebben allebei onze eigen taak, denk ik. Wij handelen en zij moeten troosten, steunen en beleven. Je bent ouder geworden, je hebt een taak, of je dat nu leuk vindt of niet. Jouw kind heeft recht op jou.
Ik troost Eva na het infuus inbrengen terwijl haar ouders op de gang wachten…
Over verwachtingen gesproken…

Ik heb helaas geen tijd meer voor het gesprek met de mama van Bradley.
Eva gaat nu voor. Bradley is stabiel…
Ze begrijpt het wel, zegt ze.

De volgende avond begint zoals de dag ervoor.
Bij de overdracht verzuchten collega’s, dat de moeder van Bradley hier bijna woont.
Ze had hier zelfs een broodje gegeten naast de couveuse!
Ik neem me voor vandaag echt met moeder te spreken.

Als ik bij Bradley kom, zie ik een monitorplakker half los hangen. De monitor piept.
” niks aan de hand hoor, vals alarm” zeg ik ter geruststelling.
Ik desinfecteer mijn handen en doe het deurtje van de couveuse open om het te herstellen.
” Euh, sorry, maar heb je wel je handen gewassen?” Vraagt mama Bradley.
Ik kijk haar verbaasd aan. ” natuurlijk! Ik kom net uit de overdracht en handen wassen is het eerste dat ik doe. Daarna werkt alcohol in dit geval efficiënter dan weer wassen.
” ja hoor, geen zorgen” antwoord ik en zet het alarm af.
Als ik de plakker zachtjes aandruk, wordt Bradley wakker en begint hij te huilen. Hij ziet er mooi roze uit.
” hè, nou is hij wakker” zegt mama Bradley boos.
Ik kijk haar aan en hou een hand op zijn hoofdje en de andere op zijn buik. Hij is is meteen weer stil en slaapt door.
Ik zeg niks. Ik merk dat ik geïrriteerd ben. Wat heb ik verkeerd gedaan?
Had ze zelf de plakker willen vastplakken?
Is ze boos, omdat het gister te druk was voor het gesprek? Kwam het doordat ik een gordijn tussen haar en de couveuse van Eva had dichtgetrokken gister?
Ik baal.

De telefoon gaat. Mijn collega’s zijn weg, dus ik moet opnemen.
Op een HC-afdeling kun je de telefoon niet negeren. Er kan altijd een acuut ziek kind aangekondigd worden, waarna je dan onmiddellijk moet reageren. Het is de moeder van Sarah, die wil weten hoe ze haar flesje heeft gedronken. Ik sta haar te woord en voel de ogen van de moeder van Bradley op mij branden. Als ik haar aankijk, kijkt ze weg.
Er is ook nooit privacy op de couveusekamer!
Ik vind dat regelmatig erg vervelend. Nu gaat het om een flesje, maar soms is iets veel persoonlijker, en er zitten altijd wel ouders in een straal van 3 meter om me heen die zo’n gesprek kunnen volgen. Ouders die bewust of onbewust, uit verveling of uit nieuwsgierigheid oren op steeltjes hebben.
Sommige ouders hebben na zo’n telefoontje serieus weleens gevraagd: ” oh, waren dat soms de ouders van Jantje of Pietje?”
Ongelofelijk!
Wij kunnen ons niet altijd terugtrekken om in een kantoortje even rustig te bellen.
Logistiek is het op de afdeling gewoonweg niet mogelijk.
We zouden alarmen kunnen missen ….
Alweer de afweging en de prioriteiten.
We proberen het zo goed mogelijk te doen.

Soms móeten we de zorg naar ons toetrekken in het belang van het kind. Dan kun je het pas later uitleggen. Soms moeten we zelfs werkruimte veroveren.
Ik had laatst een vader die zo opging in zijn kind dat ik hem tot drie keer toe letterlijk aan de kant moest duwen omdat ik niet bij zijn kindje kon komen dat een flinke dip had. Hij reageerde niet op vragen, maar zag ook niet dat zijn zoontje niet ademde en grauw zag. Hij telde en bewonderde letterlijk vingertjes en teentjes…

Zo gaat het vaak, “samenwerken” lijkt soms strijden om de tijd met het kind.
Aan de ene kant juichen we ouderparticipatie toe, maar als ouders de zorg volledig kunnen of willen doen, missen wij ook wat.
Verpleegkundigen vinden het ook prettig om een kindje even vast te houden.
om de spierspanning te voelen, de reacties te zien, het huidje te inspecteren.
Zelf te zien hoe het drinkt enzovoorts. We voelen ons verantwoordelijk voor de blinde vlekken van de ouders.

Maar als het samenwerken wel lukt gaat het goed, dan doen we de zorg met ouders samen. Laverend tussen aandacht geven, prioriteiten stellen en over en weer privacy gunnen.
Nu nog verwachtingen afstemmen….

Kermis

Je houdt er van of je “hebt er niets mee” een tussenweg lijkt er niet te zijn.

Elk jaar, de zondag op of na drie oktober begint officieel de kermis in ons dorp.
De donderdag ervoor start de opbouw van de attracties en beginnen de kinderen al zenuwachtig te worden. Tijdelijke verkeersborden worden geplaatst met vuilniszakken eroverheen. Iedereen heeft het er even over.
Ga jij? Wanneer? Waar?

Mijn eerste kermis ervaring is een telefonische.
Ron en ik hebben elkaar die zomer ontmoet en hij vertelt me enthousiast dat hij kermis gaat “vieren”.
Ik kijk hem verbaasd aan. ” Vind je dat leuk?” vraag ik nieuwsgierig.
Deze kant ken ik nog niet van hem.
” Het is geweldig!” zegt hij blij. ” iedereen komt en je spreekt mensen die je anders nooit ziet”
De logica ontgaat me.
Ik denk aan de kermis uit mijn jeugd,aan het rondhangen bij de botsauto’s (waar ik niet in mocht) en probeer me voor te stellen hoe je daar een leuk gesprek voert met oude bekenden.
” Wat vind je de leukste attractie dan?” ik fake interesse, want hoe verliefd ik ook ben, een tikje kinderachtig komt het wel over.
Wanneer hij vervolgens antwoordt: ” de hobbeldebobbel” laat ik het even voor wat het is.
Die maandag werk ik en na mijn dienst belt Ron.
“Ssschjat, ik missj je. Volgend jaar ga je mee hor!” zegt hij bijna onverstaanbaar.
” lieverd, wat klink je raar. Het lijk wel of je gedronken hebt…”
” haha natuurlijk, hetissj kerrmiss!” Ik kijk op de klok en zie dat te 16 uur is.
Ik snap er niks van.

Na de kermis legt Ron uit dat hij niet bij de botsauto’s was, maar in “de zaal”
Het is net zoiets als carnaval, maar dan niet verkleed.
Ooooh… ik domme Groningse. Ik kende alleen Zuidlaardernacht en de corso.

Het jaar erop ga ik mee.
We drinken zondags koffie bij mijn schoonouders ( traditiegetrouw verzamelt de hele familie aan de dorpsstraat) tot ’s middags de attracties opengaan.
Dan wandelen we met elkaar over de kermis. Een langgerekte slinger van kraampjes, schiettent, gokkasten, draaimolens en… de hobbeldebobbel!
Ik begrijp wat Ron bedoelt: het is enig.
Een soort ouderwetse houten draaimolen die golvend ronddraait en waar je,zelfs als je zit, goed je evenwicht moet bewaren.
Halverwege het rondje gooit de baas een hengel uit met een pluim, die kinderen proberen te pakken. Als je hem hebt, mag je een keer gratis; briljant!
Ik kijk ernaar en wou dat ik kind was of een kind had…

Onderweg blijven Ron en zijn familie geregeld staan om mensen de hand te schudden of even te kletsen.
Mijn (toenmalige) schoonzusje is ongeduldig; ze wil de zaal in.
We eindigen de zondagmiddag bij Wieleman, het zalencentrum waar een bandje wat oubollige muziek speelt.

Ooms en tantes van Ron zitten aan de ( door mijn zwager gereserveerde) tafel. Om mij heen danst iedereen met iedereen een quickstepje of los, terwijl kleine kinderen de zaal in en uit lopen om zich te laten verwennen met “kermisgeld” van familieleden die steeds meer dronken en dus ook guller worden.
Het is wel gezellig en om me heen zie ik veel meer familie van Kesteren, alleen heten ze dan anders. Zij hebben ook eigen tafels.
” Dus dit is kermis?” vraag ik, terwijl ik met Ron een walsje draai.
” Ook! Maar vandaag is zondag, vooral om samen met familie te gaan.
Vandaag zie je veel échte Westervoorters en mensen uit Arnhem die goedkoop kermis houden” legt Ron uit.
“Morgen zul je leuker vinden, dan is de muziek ook anders”
We sluiten de dag af met soep en koude schotel ( rundvleessalade) , wat ook onderdeel van de kermistraditie blijkt.

En inderdaad, de maandag is anders. Om 11 uur lopen we met de broers en mijn schoonzusje naar Hugen. Daar begint het.
Het is een knusse zaal en het is meteen druk. Ik zie Ron zijn neven en nichten, vrienden en vage kennisen. Hij stelt me aan iedereen voor.
Al snel krijg ik een biertje in de handen gedrukt…
Ai! Ik ben nooit zo goed met alcohol. Na twee biertjes vind ik het dan ook al héél gezellig.
Ron verkondigt trots aan iedereen dat hij nog nooit zo’n goedkope vriendin heeft gehad.
De band ( Summerland) is helemaal te gek. Voordat ze pauze nemen zingen ze “ein Prosit” of een kostelijk variant op “schele, zie jij die vliegmachien” in de vorm van ” Liesje, heb jij je vliesje nog?”
Ik lach me dood en vergeet al snel dat het buiten licht is.
Ron praat en drinkt en kijkt en praat. Hij kent volgens mij iedereen!
Mijn schoonzusje is een echte kermiskenner.
Ze gidst me naar de bars en eethoekjes, leert me de Macarena en we swingen de pan uit.
Als de band ineens roept: ” Alosi” laat iedereen zijn glas staan en begeeft zich naar de dansvloer.
Ik aanschouw een dorpswonder.
Jong en oud staat daar een inline dansje te doen op de wijs van “Marina” en zingt keihard de intelligente tekst in Liemers dialect mee: ” ik kreeg veur mien verjoardag een alosi, het is un heel mooi ding as ik dat zoo zie, maar man wat mot ik nou met un alosi, het is toch moar een ding dat tikt tikt tikt”
Ik leer natuurlijk ook de Alosi en dans en zing dat nog vele kermisjaren mee.
( Zelfs op onze bruiloft hebben we de Alosi gedaan)

In de loop van de middag verplaatst het gezelschap zich naar Wieleman. Een andere zaal, net zo leuk, net zo gezellig met de band “commercial break” en gastoptredens van dorpsgenoten.
Om 18 uur rollen we dan naar buiten, schuiven aan bij ma of hebben eters bij ons thuis die zich tegoed doen aan de chili con carne die ik vantevoren heb gemaakt.
’s Avonds weer naar de zaal. Slapen en dinsdag weer. Ach, we zijn nog jong.

Daarna ga ik elk jaar mee. Omdat we inmiddels ook in Westervoort woon, voelt het als onderdeel van de inburgering.
De eerste jaren ben ik ” de vrouw van…” , maar wanneer we kinderen krijgen en ik hier langer woon, leer ik steeds meer mensen kennen waardoor de kermis voor mij elk jaar leuker wordt en ook voor mij een sociaal evenement is geworden. De dinsdag gaat er wel af en ook de maandagavond wordt uiteindelijk teveel.

Met de kids genieten we nóg meer van de hobbeldebobbel, maar ….ik vind ook mijn eigen favoriete attractie: de kamelenrace!!
Bij deze kraam staat een man met een zwoele stem, jaar in jaar uit dezelfde tekst te herhalen bij een heel spannend spel, omlijst door jaar in jaar uit hetzelfde deuntje.
” ballen vast…. en rrrrollen maar! ” is het startsein, gevolgd door commentaar op de race: ” de 1 en de 5 en de 8 komt erbij, wie wint? Het kan er maar één zijn!”
Je zit op een kruk en probeert ballen in een gat te gooien. Hoe beter je gooit, hoe harder jouw kameel rent! Verslavend…

Enfin, het zal je niet verbazen, dat ik bij de groep hoor die er van houdt.
Ookal is het ” niet meer zoals vroeger” en hebben oude tradities plaatsgemaakt voor nieuwe.
Het schoonzusje van toen is niet meer bij onze familie en viert ongetwijfeld kermis in een ander dorp ( en ik denk élke kermis eventjes aan haar!)
De hobbeldebobbel is weg en onze meiden gaan al mee de zaal in.
Jammergenoeg heb ik de Alosi al jaren niet meer gehoord.

Kermis starten in zaal Hugen ( die eigenlijk al jaaaaren Maxime heet) is een traditie waar ik al lang mee probeer te breken.
Ik vind de zaal na de verbouwing kil en de akoestiek waardeloos,waardoor de geweldige band ( nog steeds Summerland) totaal niet tot zijn recht komt.
Elk jaar neem ik me voor om er niet meer heen te gaan en elk jaar sta ik er weer, want tja, stel dat je iets of iemand mist…
Ik ken nu na 20 jaar veel mensen, vanuit allerlei perioden en fases.
Sommige spreek je alleen maar op de kermis, omdat ze op dat moment geen rol in je dagelijks leven vervullen, maar wel onwijs aardig zijn!
Enne…op de kermis voelen de mensen die je kent gewoon als ” beste ” vriend/in!
Er ontstaan vriendschappen, lange en korte scharreltjes.
Sommige scharrelmannen worden heuse partners!

Op maandagmiddag ben ik altijd lichtelijk dronken en ben ik mijn stem minstens tot donderdag kwijt.
Gelukkig is (traditiegetrouw) mijn schoonmoeder het baken voor de kids , en woont zij naast de kermis en tegenover Wieleman.

Er zijn veel (voor)oordelen over kermis ( en carnaval). Het is een volksfeest , men gaat vreemd en het gaat alleen maar om het drinken.
En Guess? Het is allemaal waar! En méér is waar, namelijk dat het ook een band schept als je samen op de kermis bent.
Het is gewoon iets van ons dorpje, gezellig en verbroederend.

Dus …tot volgend jaar. Bij Hugen?!

HBOV: HBO pioniers 1.0

HBO pioniers 1.0

Ik voel me weer een schoolmeisje als ik mijn tas inpak.
Vandaag gaat het gebeuren, we hebben de eerste lesdag van de HBOV.
Na de kick off gaat het echte werk van de pre- bachelor periode beginnen. Omdat we allemaal MBO -4 verpleegkundigen mét ervaring zijn, gaan we deze 4 jarige opleiding proberen te tackelen in ruim 2 jaar. Werk aan de winkel dus.
En… ik ben er klaar voor, voor deze eerste lesdag!
Althans, dat denk ik.
Aan de voorbereiding heeft het in ieder geval niet gelegen.

Stel je even voor. In de schitterende digitale leeromgeving “e- connect” van de hogeschool NCOI , ligt alle kennis klaar in hapklare bites. Achter één pagina zitten minstens 10 subpagina’s , mogelijkheden om zeker drie rapporten of artikelen te downloaden. Even wennen en zoeken dus.
Na even globaal lezen heb ik één voor één de lessen aangeklikt.
Bij elke les staat in mooie leerdoelen precies omschreven wat we geacht worden te weten, te kunnen of toe te passen

We hebben in de pre bachelor fase 8 lessen ( soort modules) in vier lesdagen.
Per les staan een aantal voorbereidingsopdrachten.
Nou ja, een aantal. Eigenlijk zijn het er ontzettend veel!
hoeveel krijg ik pas door bij het maken ervan. En het begint pittig!
Les 1 en 2 bevatten samen ongeveer 10 voorbereidingsopdrachten , 2 hoofdstukken doorlezen , de anatomie van het beenderenstelsel en de bloedvaten en reguleren van de bloeddruk opfrissen.
Ik besluit het in stukken te hakken en worstel me om te beginnen door de wet – en regelgeving.
Ik lees dat we patiënten niet ongevraagd vast mogen binden in bed…dat staat in de wet. En ook een schaduwdossier bijhouden is ongewenst.
Via het tuchtrecht kom ik bij het WMO loket en lees hoe de AWBZ werkt en hoe een ZZP samengesteld wordt.
De financiering van de zorg weet ik globaal, maar lees nu de puntjes op de i.
Maar hoe de financiering van de DBC tjes in het ZGV verloopt moet ik nog uitzoeken, want dat is een opdracht.
Ik haal alle botjes door elkaar en vergis me in de benaming van de hartkleppen.
En therapietrouw aanpakken? Daar zijn wel zes modellen voor die iets zeggen over gedragsverandering!
Om alle stof tot me te nemen, zit ik veel op mijn ( speciaal voor deze studie ingerichte) studeerkamertje. Het is wennen en mijn gezin went mee.

Ik voel mezelf verdrinken in mijn leercirkel: ik kom in rap tempo van de zalige onbewust onbekwame fase in de bewust onbekwame fase. Oftewel: ik kom erachter dat ik al 25 jaar zorgverlener ben, zonder te weten hoe onze gezondheidszorg eigenlijk precies geregeld is. Ik schaam me een beetje…

Onze groep is leuk! De leeftijden lopen uiteen van adolescent tot midlife.
We lijken op elkaar en zijn erg verschillend.
Ik vermoed, dat iedereen in de groep, net als ik, klaarzit met zijn uitgewerkte opdrachten. Te wachten op uitleg en klassikaal bespreken van onze punten.
Niet dus. Dit is HBO mensen! Niemand is geïnteresseerd in mijn uitkomsten van 24 uur voorbereiden .
Oh… Het was voor mezelf.

Onze docente Brun vliegt door de stof. Met veel flapovers met modellen loodst ze ons door de organisatie van de gezondheidszorg heen en gaat in op de VMS thema’s.
Jorn maakt foto’s van de flappen en we maken een groepsapp aan , die hij. ” HBO pioniers 1.0″ noemt. Geniaal! Het scheelt ons een hoop schrijven.

Brun laat ons continue kijken door de ogen van de zorgvrager. Stuurt op visie en nadenken.
Ze probeert ons het einddoel van de pre bachelor te laten zien; de eindopdracht, waar het straks allemaal om gaat.
Ze benoemt ongeveer ieder uur ” dat het allemaal goed komt”
Ze is goed! Ze heeft een schat aan ervaring en weet alle rommelige wol tot één rode PICO draad terug te brengen. En als we de draad kwijt zijn, leest ze de paniek in onze ogen en benadrukt weer ” dat het goed komt”.
We kunnen na even oefenen al een aardige onderzoeksvraag neerleggen…
Zie! Wij zijn ook best goed.

‘S middags in de computerruimte dreigen we even te crashen wanneer ons uitleg wordt gegeven over literatuuronderzoek en bronnen vinden.
Wauw , het zoekwoord “diabetes levert 500.000 resultaten op!
Grappig trouwens, dat ik al jaren inlog op de startpagina van het ziekenhuis en nu voor het eerst de linkbutton naar de bieb zie.
Toch is al deze zoekinfo op de eerste dag teveel. Onze overprikkelde hersenencellen nemen de (or) en (and) haakjes niet meer op.
Het idee ” wat is er mis met het gewone internet” is bij mij wel gewist, maar voordat ik helemaal thuis zal zijn in pubmed, gebruik ik nog heel even Google….Maar dan wel Google scholar!
Op naar dag 2 (les 3 en 4)!

20141005-092436.jpg